“I don’t know how to do this.”
~ Meryl Streep, 11 februari 2016, persconferentie, Berlijn
Als er íets was dat ik me bij elke competitiefilm van de Berlinale afvroeg, dan was het wat Meryl Streep er van vond. Niet om het even, Streep was dit jaar de jury-voorzitter van de hoofdcompetitie. Maar sowieso interessant om bij stil te staan: hoe zou Meryl Streep over iets denken. Zou ze een verse kijk hebben, of te vastgeroest zijn in de wereld van Amerikaanse studiofilms, ook al denkt ze zelf van niet (“o maar haar man is beeldhouwer/kunstenaar, dus er is hoop”, dacht ik nog, alsof ze met zo’n man in huis wel ontvankelijk moet zijn voor weirde dingen)? Zou ze gapend en met haar ogen rollend het acht uur durende Filippijnse A Lullaby to the Sorrowful Mystery hebben uitgezeten? Zou ze de cryptisch poëtische Chinese film Crosscurrents wél begrepen hebben? Wou ze de, overigens prima, Deense actrice Trine Dyrholm (bij ons vooral bekend als oudste zus Gro uit de serie The Legacy) voor haar rol in Kollektivet bekronen omdat ze haar eigen soort performance er in herkende?
Vragen, vragen.
Over de films zodadelijk meer, maar voor mij ging de Berlinale net zo goed over filmtheaters. U-bahn in, S-bahn uit. Via Friedrichstraße naar Bahnhof Zoo, van Potsdamer Platz naar Karl-Marx-Allee. Het is niet alleen een ontdekkingstocht door films maar ook een ontdekkingstocht door de stad. Al die gebouwen die, na je jaren af te hebben gevraagd hoe ze van binnen zouden zijn, opeens een thuis worden. Welke waren uiteindelijk het fijnst of indrukwekkendst. Vandaar om te beginnen, een top drie filmtheaters.
1. Kino International
Op één met stip, al was het alleen al omdat ik er jaren langskwam maar er nooit in was geweest: de communistische gloriebouw van Kino International. Van buiten een zwevend betonnen blok, van binnen een combinatie van onafgewerkte soos (beneden), afbladerend bruingrijze verf en zeil (op de trap) en rood tapijt, kroonluchters en designer stoelen (eerste verdieping). Niet eens retro maar waarschijnlijk altijd zo gebleven sinds de bouwtijd in de sixties. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de filmzaal zelf: een muur van om en om onderbroken stroken hout, een wit golvend plafond en een donkerblauw gordijn dat openschuift waardoor een tweede goudkleurig gordijn zichtbaar wordt. Felle elementen die om je aandacht vechten en uiteindelijk maar één worden. Verder het soort plek waar Fritz-Kola en Bionade bovenaan de drankkaart prijken en tot m'n toeristische geluk iemand naast me kwam zitten die een pretzel at.
N.B. Zorg wel dat je hier op tijd bent om alles in je op te nemen, de zaal kan anders zo veel aandacht opeisen dat het afleidt van de film.
2. Zoo Palast
Het (ogenschijnlijke) westelijke zusje van Kino International. Evengoed beton, minder spectaculair dan zuslief want gewoon een blok. Ok met rondingen dan. Van binnen is Zoo Palast niet blijven steken in futuristisch sixties, maar in seventies bordering eighties. En dat terwijl het gebouw uit de fifties stamt, wellicht dat latere renovaties daar hun hand in hebben gehad. Als je naar achter gaat zitten, bewegen de beige leren stoelen galant mee en zeggen “doe maar even languit.” Dat is slapen gegarandeerd als je toch al moe bent, maar dan wel in een - ondanks zijn grootte - best knuffelbare slaapkamer.
3. Filmtheater am Friedrichshain
De Berlinale kent heel wat gebouwen die Palast (paleis) heten. Friedrichstadt-Palast, Berlinale Palast, Zoo Palast. Allemaal op naam ingekochte grandeur. Filmtheater am Friedrichshain is een paleisje op zichzelf, gelegen naast het Volkspark Friedrichshain. Toegegeven, de zaal (het heeft er overigens 5) is niet super bijzonder, maar het witte neoclassistische gebouw an sich zou in een meer bosrijke omgeving iets hebben van een groot uitgevallen zomerhuis. Doordat het net iets hoger is gelegen dan straatniveau, moet je een stenen trap op richting opening. Wat glamour for the people. Dat maakt het allemaal iets meer ervaring.
Eervolle vermelding is er voor Das Haus der Berliner Festspiele, een van de locaties die de rest van het jaar gewoon theater zijn. Niet zozeer eervol vermeld om het ook al zo gedateerde interieur of het gebouw, dat me bij daglicht vast beter was opgevallen als een Neue Nationalgalerie-achtige glazendoos, maar om het zijn van een aangenaam geheim. Als je ’s avonds de richtingsbordjes volgt en de hoek om loopt bij de Universität der Kunsten (“hoezo moet ik die onverlichte total blackness tegemoet lopen?”), gebruikt het Haus der Festspiele je argwaan in zijn voordeel. When you least expect it doemt daar plots een romantische lampjesparade op. Een verfrissend stukje Efteling waar je het net niet had verwacht. Kerst in cultuurland.
Voor zover, de filmtheaters, de zalen, de introductie. En dan nu, gordijn open...
De Films
Eerst het slechte nieuws, in de vorm van één titel. Eentje maar, want dan wordt dit niet al te zwartgallig. Niet eens per se de slechtste of de saaiste, wel de meest tegenvallende. En ja hoe oneerlijk ook, een tegenvaller heeft alles te maken met verwachtingen. Thomas Vinterbergs deels op zijn eigen jeugd gebaseerde Kollektivet, over een woongroep in de jaren zeventig, heeft vooral last van dé Scandinavische connotatie bij films over woongroepen en communes, de onovertroffen Zweedse liefdesbrief annex satire Tillsammans (Together) van Lukas Moodysson. Een oneerlijke vergelijking, maar daar wordt het door Vinterberg ook wel naar gemaakt. Aanvankelijk houdt hij namelijk eenzelfde soort toon aan en speelt hij vooral in op de lach, maar anders dan bij Tillsammans wordt het nergens echt bijtend. Tegen de tijd dat het uiteindelijk verzand is in slepend melodrama, weet je niet meer of je toch liever die flauwe lach had. In zijn kritiek óp of keerzijde ván de vrije moraal, mist het immers eveneens echte scherpte of verrassing. Na Jagten deed een Deense film van Vinterberg op meer hopen.
Slechte nieuws gehad, tijd voor het goede nieuws. Mijn top vijf. In tegenstelling tot bij de filmtheaters tel ik deze wel af. Want sja, dat doe ik met films.
5. Aloys
Het absurde Zwitserse Aloys beweegt van zwarte komedie naar paranoia. Met een vormgeving die het midden houdt tussen (Aki) Kaurismäki, van Warmerdam en Mike Mills. Alleenstaande veertiger Aloys Adorn, is nogal een loner. Als we ‘m op zijn woord moeten geloven dan is hij van beroep detective. In zijn troosteloze flatje bekijkt hij de hele dag dv bandjes, terugspoelend, vertragend, van opnamen die hij zelf gemaakt heeft. Wanneer zijn dv camera en een aantal bandjes worden gestolen, begint hij telefoontjes te krijgen van een alwetende vrouw. En met dat ongevraagd en ongewild binnenlaten van de ander in zijn leven, begint de film aangenaam te ontsporen. De buitenwereld komt binnenskamers, de binnenwereld verplaatst zich naar een bank in het bos.
4. A Dragon Arrives!
Een half te volgen script gebaseerd op een al dan niet waargebeurd verhaal, met onscreen uitleg van de regisseur. Over geheime politie, een enorm schip in de woestijn, een verdwenen geluidsman die alle stiltes van de wereld kon herkennen en een blitse oranje old timer. Is het avontuur, is het horror, is het een beetje van de pot gerukt of een verkapt politiek pamflet? Niet het meest helder, maar wel zo fijn om eens een sexy gestileerde en knallende film uit Iran te zien. Met aantrekkelijke hoofdrolspelers en een opzwepende soundtrack die Mad Max: Fury Road naar de kroon steekt. Harder! Harder!
3. Little Men / Young Wrestlers
Na Love is Strange zet Ira Sachs z'n lijn voort. 'Klein'-menselijke problemen in grootstedelijke (in dit geval Brooklyn) setting. De titel duidt zowel op de twee jonge vrienden Tony en Jake als op hun ouders, het soebakken van de kleine man. Hoe de conflicten van volwassenen onbedoeld groot worden in de levens van kinderen. Maar dan niet zo zwaar als dat klinkt. Daardoor kan dit te gemakkelijk worden weggezet als een aardig zondagmiddagfilmpje (ten positieve: kijk ‘m vooral op zondagmiddag!), terwijl Sachs juist opnieuw laat zien hoe goed hij is in dit soort licht drama en sfeertekening op de millimeter.
Met name de jonge Michael Barbieri (hier in zijn eerste filmrol) bewijst met een improvisatiescène tijdens een toneelklas waarom hij vanaf nu veel vaker op een groot scherm te zien moet zijn.
Een leuke double bill suggestie, eveneens uit het Generation programma voor jongeren: van Brooklyn naar het Turkse Amasya, al zou ik bij daadwerkelijke vertoning de volgorde omdraaien (Amasya --> Brooklyn). Het Nederlands Turkse Young Wrestlers, met een productiecredit voor m’n home girl S. Gertsik, is een liefdevolle documentaire over de jongens op een internaat voor worsteltalenten. Over opvoeden, doorzetten en – zonder er al te expliciet in te worden - nostalgisch terugblikken terwijl je jeugd nog bezig is. Met net genoeg verhaalelementjes om ook een breder publiek aan te spreken.
2. Théo et Hugo dans le même bateau
Niet vlekkeloos. Af en toe haperend acteerwerk van de hoofdrolspelers en geforceerde actie voor een mooi muzikaal intermezzo. Toch charmeert deze zero positieve gay Before Sunrise met gravitas light.
De opening is een uitgebreide, redelijk expliciete scène in een sexclub waarmee regisseurs Olivier Ducastel en Jacques Martineau (je zou een hippe jonge regisseur verwachten, maar het is dit duo krasse vijftigers) tussen alle erecties door meteen vakmanschap tonen. Vanaf daar ontpopt het zich in quasi real-time tot een nachtelijke zwerftocht door Parijs. En zoals Night on Earth weet, dan heb je me grotendeels al. Innemend en op zijn eigen maniertje romantisch.
1. 6A
In de beste traditie van Ruben Östlund, zo pijnlijk herkenbaar dat het grappig wordt, komt de eveneens Zweedse Peter Modestij met 6A. Een observatie van sociale mechanismen met één van de daarvoor meest dankbare uitgangspunten: een ouderbijeenkomst, in 61 minuten. Een aantal ouders, een lerares én drie meisjes die samen het probleemgeval van de klas zijn, gaan in een kamer het gesprek met elkaar aan. Een soort polder model in actie.
Het volle uur twijfelde ik geen moment aan de integriteit van deze documentaire. Totdat het achteraf helemaal geen documentaire bleek te zijn. Acteurs kregen van tevoren elk een ander achtergrondverhaal over de gebeurtenissen en de zwenkende camera (“wie is er aan het woord?”) deed de rest. Des te meer lof voor script en improvisaties. Echter dan echt, deze nagebootste real-time authenticiteit.
Foto's Potsdamer Platz, Kino International, Zoo Palast: Alexander Zwart; foto Filmtheater am Friedrichshain: Katja Bechmann.